Verhalen uit de Nieuwsbode

Iedere week verschijnt er een nieuw verhaal van Marcel in de Nieuwsbode. Ook schrijft hij columns voor Zeister Magazine. Marcel draagt ook voor uit eigen werk. Benieuwd? Bekijk het hier!


3 juni – Lente

De zondagochtend begint met de geur van verse croissants in de oven en het borrelen van eieren op een laag pitje. Buiten, in de kruin van de boom, dartelen twee duiven om hun nest. En op straat bevechten enkele kraaien elkaar om de inhoud van een open gepikte vuilniszak.

Maar voor twee van de kraaien is het blijkbaar oom zondag en tijd voor een eitje, want zodra zij de duiven in het oog krijgen, springen zij op en slaan hun vleugels uit in de richting van het nest. Zich niets aantrekkend van de duiven die angstig hun toevlucht zoeken op hogere takken.

Met hun hoornige zware snavels pikken de kraaien de schalen van de duiveneitjes stuk en slurpen de warme embryonale lekkernij gulzig naar binnen om even later verlustigd en voldaan weer op te vliegen, de duiven ontzet achterlatend.

Als de kraaien eenmaal uit het zicht zijn verdwenen wippen de duiven aarzelend via de takken naar beneden, kijken over de rand in het geschonden nest en dan naar elkaar, alsof ze willen zeggen ‘Tja, zo gaat dat in de natuur.’  Schuren met hun gevederde nekken troostend en liefdevol tegen elkaar, waarna het mannetje het willige vrouwtje beklimt en zij lustig fladderend en balancerend op een tak de liefde bedrijven.

10 juni – Irritaties

‘Volgens mij heeft onze kat corona’ zeg ik tegen mijn vrouw tijdens het ontbijt aan de keukentafel. Maar ik weet niet of zij mij hoort, luisteren doet zij in ieder geval niet, want onverstoord leest zij verder in de ochtendkrant zonder op te kijken, of een oogopslag. ‘Ik denk dat onze kat besmet is met het coronavirus’, probeer ik nog een keer.

Maar haar enige reactie is een diepe zucht. Ik roer mijn theelepeltje in het theeglas, zie suiker opdwarrelen en ronddraaien. ten tik dan een aantal keer op de glasrand, ting, ting, tig. Zo van, mag ik even uw aandacht? Maar nog steeds geen reactie. Ik doe nog een uiterste poging, strijk met mijn vingers over de fijne haartjes van haar onderarm die naar de krant op tafel ligt. “Wat is er?’, vraagt zij plotseling en nogal bozig.

Ik schrik van haar reactie. ‘Eh… de kat. Het lijkt wel of die ook is aangestoken met het vervelende corona’. ‘Hoezo?’, vraagt zij verontwaardigd. ‘ Nou, hij lijkt zo passief, lui en lusteloos en doet de laatste dagen niets anders dan verveeld en zielig voor zich uitstappen.’ Mijn vrouw kijkt mij indringend met samengeknepen ogen aan. ‘ Ik lees net in de krant dat het inderdaad mogelijk overdraagbaar is van mens op dier.

Ik zal voor de zekerheid straks je temperatuur opmeten.’ 

17 juni – Vliegangst

Ik lag al een tijdje in bed, in gedachten, met gesloten ogen, eigenlijk gewoon te wachten op de slaap, toen ik het buiten in de verte hoorde rommelen. Als daar ergens, zo ongeveer ter hoogte van Bunnik, zwaar onweer opborrelde. Maar algauw realiseerde ik mij, naarmate dit geluid dichterbij kwam, dat het iets anders was dat de hemel leek op te scheuren.

Het was het geluid van een vliegtuig. Ik besloot er in gedachten naartoe te gaan, om eens een kijkje te nemen bij dat vliegtuig. Niet door uit bed te stappen, de balkondeuren te openen en omhoog te turen. Nee, dat is allemaal niet nodig met het menselijk brein. Je hoeft zelfs niet eens je ogen te openen om, met de snelheid van het licht in die wonderlijke hersenen, 30.000 voet af te leggen en die stoere neus van dat toestel recht op je af te zien komen.

Er is zelfs nog tijd genoeg om even door die ovalen raampjes een blik naar binnen te werpen en al die mensen te zien zitten. Opeengepakt, veel te dicht op elkaar. Met hun onwennige mondkapjes en daarboven die onzekere, angstige blikken. Alsof zij zich ook realiseren dat het ongewis is waartoe deze reis zal leiden, ook al staat de bestemming op hun tickets. En in feite niets anders zijn dan proefkonijnen.

1 juli – Paspop

In gedachten loopt ze over de Slotlaan en houdt haar pas in voor een damesmodezaak. In de etalage staat een paspop op een kleine ronde verhoging, in een korte groene zomerjurk met dunnen bandjes om de schouders. Die glimlachend, zelfingenomen, ietwat arrogant op haar neerkijkt. En des te langer zij de paspop bekijkt, des te kleiner, brozer en naakter zij zich voelt.

Ze doet een kleine stap opzij en bekijkt zichzelf in de spiegeling an het etalageraam, net op het moment dat enkele wolken voor de zon schuiven en de schaduw over haar uiterlijk en uitstraling valt. Ze loopt bij de damesmodezaak naar binnen en vraagt de verkoopster naar de jurk van de paspop. Maar op het moment dat de verkoopster naar het kledingrek met de nieuwe zomercollectie loopt, zegt ze: ‘ Nee, ik wil de jurk die de paspop draagt.’

De verkoopster kijkt even verbaasd, maar loopt dan naar de paspop in de etalage en kleed deze vlot uit. ‘Deze bedoel u jongedame?’ ‘Ja, ik trek hem nu meteen aan.’ Nadat zij zich heeft omgekleed en de jurk heeft afgerekend, loopt ze opgetogen de zaak weer uit en bekijkt zichzelf, vanuit haar ooghoek, in de schitterende spiegeling van het etalageraam en loopt glimlachend, zelfingenomen, ietwat arrogant voor de naakte paspop langs.